Toine Smits – voorzitter Lectorenplatform Water – vertelt

Alle nieuwsberichten

Als het aan Toine Smits (65) ligt, gidst hij Nederland via een netwerk van living labs naar een veilig en duurzaam land. Waar water geen angst meer inboezemt, maar juist wordt ingezet voor een goed leven.

Wat voor werk doe je?

Bij Radboud Universiteit ben ik hoogleraar Sustainable Water Management. Daarnaast ben ik lector Circular Economy and Water Resources Management en leading lector Delta Areas and Resources bij Van Hall Larenstein. Verder ben ik voorzitter van het Lectoren Platform Water.  De informatie en inzichten die uit deze netwerken voortkomen breng ik in bij Delta Platform waarvan ik lid ben. Daar kijken we hoe we deze informatie samen met overheden en andere kennisinstellingen kunnen omzetten in concrete acties en onderzoeksprojecten.

Hoor ik daar een Brabantse tongval?

Dat klopt ja. Nistelrode.

Waterwerk. Past dat wel bij een Brabander?

Zeker! Ook Brabant kent een aantal rivieren, waterlopen en vennen. Daar speelt op dit moment vooral de droogte problematiek. Als peuter vond ik water in combinatie met natuur al erg leuk. Alles wat groeit, kruipt en zwemt. Die belangstelling voor de natuur is me met de paplepel ingegoten. In die tijd waren er nog geen computers, dus ik speelde altijd in de tuin en in het bos. Iets met biologie lag dus voor de hand. Ik volgde een lerarenopleiding biologie en scheikunde. Later ben ik bij de Radboud Universiteit gepromoveerd. Ik ben gespecialiseerd in het herstel van waterplanten in het aquatische milieu. Toen de Oisterwijkse vennen zo te lijden hadden onder zure neerslag, rond 1985, was ik als student onderdeel van het onderzoeksteam wat zich daar mee bezighield. Dat onderzoek toonde aan dat de intensieve veehouderij daar grotendeels de oorzaak van was. En die kennis hebben een groot aantal verzuurde vennen kunnen herstellen en de uitstoot van N, ammonium  kunnen verminderen. Maar zoals de actualiteit leert, hebben we er nogal altijd last van een  stikstofoverschot.

Hoe kwam je bij Rijkswaterstaat terecht?

Eind jaren 80 zocht Rijkswaterstaat biologen om aan natuurherstel van de grote rivieren te werken. Twee jaar later rolde ik het management in, directie Oost Nederland. Omdat ik toch het contact miste met de academie, heb ik toen ook gesolliciteerd op een deeltijdleerstoel Natuurbeheer stroomgebieden aan de Radboud Universiteit. Zo is het balletje gaan rollen.

Nu ben je hoogleraar duurzaam waterbeheer bij Radboud in Nijmegen en leading lector bij Van Hall Larenstein in Velp. Is voor jongeren een carrière in ‘het water’ wel sexy genoeg?

Pas als ze zich realiseren hoe bedreigend klimaatsverandering en vermindering van biodiversiteit kan zijn voor hun eigen toekomstige leefomgeving. Dan pas zien ze de noodzaak van het ontwikkelen en toepassen van nieuwe verdienmodellen waar ze later hun brood in moeten gaan verdienen. Het kan best sexy zijn als je zo samen met je leeftijdgenoten je eigen toekomst bouwt die veel goed maakt van wat je vader en moeders generatie grondig hebben verpest.

Delta Platform faciliteert dit proces door de laatste inzichten en innovaties te delen en in het onderwijs te verankeren. Ook hier komt het concept van living labs weer om de hoek kijken.

Op welke manier ben je betrokken bij Delta Platform?

Vanuit de verschillende functies werken we aan hetzelfde thema: door klimaatverandering staat de delta onder druk. Het is een enorme uitdaging om ook in de toekomst veiligheid te waarborgen en voldoende zoetwater beschikbaar te hebben. Juist op die complexe watergerelateerde gebiedsopgaven is samenwerking belangrijk. We moeten stevige consortia bouwen en de beschikbare middelen bundelen. Dat proberen we te bereiken in living labs.

Hoe werkt zo’n living lab?

In een living lab werken overheid, waterschappen, maatschappelijke partijen en het onderwijs samen. Er is een leidende rol weggelegd voor het hbo. Lectoren zetten hun kennis en ervaring in voor onderzoek en innovatie binnen het onderwijs en de beroepspraktijk. Zo’n living lab is geen project met kop en staart en er is geen hiërarchie. Het uitgangspunt is dat we willen handelen conform de drie principes van de circulaire economie. In deze context willen we samen met publieke en private partijen innovaties ontwikkelen en toepassen waar een gezond verdienmodel onder ligt. Eigenlijk is zo’n living lab een dynamische omgeving waar het menselijk en natuurlijk kapitaal beter wordt benut om de complexe (watergerelateerde) gebiedsopgaven op een duurzame manier op te lossen.

In Nederland zijn we met het Delta- en Lectorenplatform bezig met zo’n zes regionale living labs.

Waarom zes? Het gaat toch over één Nederlandse Delta?

Nou ja, kijk eens hoe de Delta is opgebouwd. We hebben de Randstad, een verstedelijkt gebied, Friesland, een landelijk gebied en dan is er nog midden Nederland waar de grote rivieren stromen. Al die regio’s hebben verschillende problemen die elk om een eigen oplossing vragen. De Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta geeft houvast bij het opdelen in regio’s. Zo zoeken we in de regio Rotterdam naar stedelijke wateroplossingen. In Friesland werken we aan een circulaire landbouw. En in de Zuidwestelijke Delta willen we naar een duurzaam veilig, economisch aantrekkelijk en gezond gebied met voldoende zoetwater. Daar is aandacht voor kweek van zeevis op land, productie van zouttolerante gewassen en kustverdediging met levende natuur, bijvoorbeeld oesterdammen. Naast de landschappelijke diversiteit van elke regio speelt ook cultuur een rol. De samenleving in de Randstad zit nu eenmaal anders in elkaar dan in die in Zeeland. Daar houden we rekening mee. Bovendien ligt de regie in de regio zelf. Zo is elk living lab regionaal maatwerk.

In Zeeland hebben we Living Lab Schouwen-Duiveland. Waarom nog een living lab erbij?

Living Lab Schouwen-Duiveland is een relatief klein initiatief. Het is een mooi voorbeeld van hoe een living lab werkt. Dat moeten we koesteren. Daarbij mogen we niet uit het oog verliezen dat het eiland onderdeel uitmaakt van de Zuidwestelijke Delta, een groter schaalniveau.

Zijn er voorbeelden van succesvolle living labs?

Die zijn er zeker. Alleen bestond de term nog niet. Het WaalWeelde initiatief  in Gelderland is daar zo’n voorbeeld van. Daar was het noodzakelijk om in 1995 maatregelen te nemen voor hoogwaterveiligheid, tegelijkertijd bestond de wens voor prettig wonen, werken en recreëren in de vijftien gemeentes langs de Waal. Maar de plannen van Rijkswaterstaat strookten niet met die van de gemeentes. In het living lab werkten onder leiding van de  Radboud Universiteit gemeenten, kennisinstellingen en ngo’s twee jaar samen aan een plan dat wél aan alle wensen tegemoet kwam. Toen de ‘inspiratieatlas’ met geschikte ruimtelijke ingrepen klaar was heeft de Provincie Gelderland het verder bestuurlijk ingebed en ervoor gezorgd dat hier een ontwikkelingsbudget van 60 miljoen voor kwam. Dat is een manier van co-creatie die werkt. Een ander voorbeeld is het Living Lab Fryslân. Daar heeft de hogeschool Van Hall Larenstein samen met de Noardelike Fryske Walden er voor gezorgd dat er een regiodeal kwam om de circulaire landbouw in Friesland een boost te geven.

Dus dat loopt lekker?

Nee, zo makkelijk gaat dat niet. Zo’n transitie vraagt om alternatieve businessmodellen. Met lokale boeren is gekeken naar onder andere natte landbouwproducten zodat de klimaatgas uitstoot van de landbouw gereduceerd kan worden. Een voorbeeld is lisdodde, dat wordt nu gebruikt als low carbon bouwmateriaal. Het gaat er uiteindelijk om dat je een boer een alternatief betrouwbaar verdienmodel kan bieden wat zowel goed is voor milieu als voor klimaat. Dat heb je niet zomaar gerealiseerd.  Daar gaan jaren overheen.

Dus daar gebeurt al wat op het erf van de boeren! Wanneer gaan de Zeeuwen iets merken?

In Friesland heeft het twee jaar geduurd voor dat het living lab van start ging. Maar ook in de Zuidwestelijke Delta gebeuren al veel goede dingen. Alle ingrediënten zijn aanwezig. We zoeken nu naar verbinding en stroomlijning van de initiatieven zodat we het menselijk en natuurlijk kapitaal in de regio beter kunnen benutten.

Wat voor lessen trek je uit de andere living labs die je voor de Zuidwestelijke Delta kunt gebruiken?

Het is natuurlijk prima als de regionale overheid op een later stadium instapt. Een living lab is er immers voor om een goede interface te verzorgen tussen bottum-up en top-down. Maar we merken in een aantal gevallen dat deze overheidspartijen weer erg gauw terugvallen in hun natuurlijke rol van machthebber en dat ze de oorspronkelijk spelregels van een living lab, waar bij de start afspraken over zijn gemaakt, aan hun laars lappen. Je merkt dat dan de deelnemers van het living lab die in het begin zo actief waren weer in de ‘parkeerstand’ gaan staan van: “Oké, als jij het zo goed weet laat maar zien…”. En dat is natuurlijk eeuwig zonde.

Hoe krijg je mensen zo ver dat ze instappen?

Het spel der verleiding. Als partijen zien dat je samen beter in staat bent om middelen en kennis te bundelen en transities echt op gaan te helpen met nieuwe verdienmodellen, dan stappen ze in. In de beginfase van elk living lab is het dus noodzaak om eerst een klein groepje ‘early adopters’ om je heen te verzamelen. Succes kopieert zichzelf makkelijk.

 

Betrokken partners
van Hall Larenstein